Skip to content

De kerkelijke werkelijkheid-nu en vroeger

Ik ben halverwege een paar pittige dagen. Gisteren (zaterdag) vertrok ik voor dag en dauw uit Zeewolde, zodat ik om 9.00 uur in Braine l’Alleu zou zijn, ongeveer vijfentwintig kilometer ten zuiden van Brussel. Daar zou ik een korte meditatie houden aan het begin van de gebedsdienst in een van de twee Belgisch-Roemeense Adventkerken en vervolgens, om elf uur, de preek houden. Tot mijn verrassing waren er toen ik aan de preek begon meer dan honderd aanwezigen in de nette en functionele, maar wat saaie, kerkzaal die anderhalf jaar geleden van de Jehovah’s Getuigen werd gekocht. Officieel telt deze gemeente net iets meer dan zestig leden, maar heel wat Roemenen zijn recentelijk vanuit Spanje naar België uitgeweken vanwege de enorme werkloosheid in Spanje, en daardoor zal deze gemeente snel verder groeien. Ik hielde de preek in het Frans en neem aan dat de Roemeense vertaler ongeveer herhaalde wat ik had gezegd.

Vandaag (zondag) was er de gehele dag een bijeenkomst voor ouderlingen van de Adventkerken in België. Bijna alle ca. 30 gemeenten en groepen waren vertegenwoordigd. Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat ik nogal tegen de dag opzag. Er was voor een dagindeling en opzet gekozen waar ik me niet zo gemakkelijk bij voelde, en ik had dan ook geen idee wat ik van de dag mocht verwachten. Het werd gelukkig een heel positieve ervaring, die duidelijk een vervolg moet krijgen in de nabije toekomst.

Morgen en overmorgen (maandag en dinsdag) zijn tamelijk vol gepland, met o.a. een vergadering morgenavond, die gemakkelijk wat controversieel zal kunnen worden, en met een waarschijnlijk nogal lastig gesprek op dinsdagmorgen. Daartussendoor zijn wat andere zaken gepland, die minder rimpels veroorzaken. Op dinsdag, vroeg in de avond, volgt nog een gesprek met een delegatie van een allochtone gemeente, en dan hoop ik me weer naar het Noorden te spoeden. Daar vindt dan op woensdag een heel andere gebeurtenis plaats. In het oecumenisch centrum ‘ De Open Haven’, Kerkplein 8, in Zeewolde, vindt dan de officiële opening plaats (’s avonds om 19.00 uur) van de tentoonstelling van schilderijen van mijn vrouw Aafje. Een maand lang kan de tentoonstelling worden bezocht. Mijn aandeel is beperkt gebleven tot het (vorige week) helpen ophangen van de 35 portretten en andere schilderijen, en tot het mogen voorstellen van de persoon die de officiële opening zal verrichten.

Maar tussen dit alles door word ik gefascineerd door de inhoud van een heel bijzonder boek. Ik dacht dat ik aardig thuis was in de geschiedenis van de kerk waartoe ik behoor, maar terwijl ik dit boek aan het lezen ben besef ik dat er nog flinke hiaten zitten in mijn historische kennis. Het betreft het onlangs verschenen boek van Gilbert M. Valentijn: The Prophet and the Presidents. In dit boek analyseert de schrijver de interactie tussen Ellen G. White, de negentiende-eeuwse charismatische informele leider van het zich ontwikkelende adventisme, en een drietal officieel gekozen kerkelijke topleiders. Uit de zeer uitgebreide correspondentie tussen Ellen White en deze presidenten van de kerk, en uit ander bronmateriaal, komt een beeld naar voren dat mij feitelijk niet bekend was.

Ellen White blijkt een veel grotere invloed te hebben gehad op bestuurlijke zaken dan ik wist. Haar adviezen werden echter niet altijd klakkeloos gevolgd. Van haar kant gebruikte Ellen White dikwijls allerlei diplomatieke of zelfs politieke wegen om haar mening, o.a. bij benoemingen en vekiezingen, te laten prevaleren. De wijze waarop haar zeer persoonlijke en kritische ‘getuigenissen’ voor bepaalde personen dikwijls in aanwezigheid van een veel groter publiek werden voorgelezen, zou in onze tijd als buitengewoon onethisch worden beschouwd en waarschijnlijk zelfs tot rechtszaken leiden. (Dat gebeurde trouwens ook in een enkel geval in haar tijd.] En het was voor de leiders ook moeilijk te accepteren dat Ellen White lang niet altijd consequent was in haar oordeel. Vooral als het haar zoon Edson betrof legde zij soms andere maatstaven aan. Het is bepaald niet de bedoeling van Valentine om het gezag van Ellen White te kleineren of onderuit te halen, maar hij bewijst ons wel een grote dienst door meer duidelijkheid te scheppen over hoe haar charismatische gaven in feite functioneerden. Hoe dan ook: Ik kan het boek maar moeilijk neerleggen en ik vermoed dat ik het wel uit zal hebben voordat ik dinsdagavond weer thuis ben. Ik zie met spanning uit naar de recensies in de Adventistische pers. (Voor degenen die belangstelling hebben gekregen: het boek is uitgegeven door de Pacific Press Publishing Association (2011). Het is, als je een creditkaart hebt, gemakkelijk via www.amazon.com te bestellen).

Join the club

Mijn vrouw vergezelde me dit weekend naar België. Gebruik makend van een speciale weekendaanbieding namen we vrijdagavond onze intrek in een prettig hotel vlak bij het kerkelijk kantoor in Brussel. Helaas blijkt haast altijd dat een speciale prijs betekent dat er allerlei dingen niet zijn inbegrepen, zoals het ontbijt waarvoor per persoon vijftien euro extra wordt berekend. Vroeger, toen in een hotel verblijven nog een noviteit voor me was, liet ik me door een uitgebreid ontbijtbuffet verleiden om alles te proberen en ervoor te zorgen dat ik waar voor mijn geld kreeg. Maar nu houd ik het toch gewoon op een klein schaaltje cornflakes met yoghurt, een croissantje, een hard bolletje en een kop koffie en dat is voor vijftien euro niet echt een koopje. Maar dat terzijde.

Op zaterdagmorgen reden we bijtijds richting Luik waar ik de preek ging houden in de plaatselijke Adventkerk. We werden er buitengewoon hartelijk ontvangen en na de potluck verlieten we de Boulevard Frère Oban met bloemen en bonbons. Aangezien het een Franstalige gemeente betreft deed ik mijn best om zo goed mogelijk in het Frans te preken. Dat vereist wel een vrijwel geheel uitgeschreven tekst en resulteert in een gebrek aan spontaniteit en minder oogcontact met de mensen in de kerkzaal—althans zo ervaar ik dat zelf. Volgens mijn vrouw mankeert er ook nog wel wat aan mijn uitspraak, maar de Luikenaren waren zo vriendelijk om daar niets van te zeggen. Ik denk trouwens dat mijn Frans zeker zo goed is als het Nederlands van de nieuwe Belgische minister-president. Er waren, naar ik schat, zo’n tachtig of negentig aanwezigen, waaronder verrassend—en verheugend—veel jongeren en een flink contingent ‘nieuwe’ Belgen, vooral afkomstig uit Rwanda.

Van Luik reden we ’s middags naar Genk, waar Hans Jongkind en zijn vrouw wonen—Nederlanders die hun gehele leven in België hebben gewoond en gewerkt. Hans is nu met emeritaat. Het was een excellente gelegenheid om weer eens even bij hen langs te gaan en bij te praten.

Gisteren, zondag, was er een vergadering van het bestuur van de Adventkerk in België en Luxemburg. We vergaderden in een prettige en ontspannen sfeer, maar een gehele dag een tweetalige vergadering voorzitten is een intens gebeuren, en na afloop van zo’n dag moet ik wel even weer op adem komen. Maar er zijn een aantal belangrijke dingen op de rails gezet en ook de definitieve begroting voor 2012 kon worden afgestemd. De mededeling van de penningmeester dat de kerkelijke inkomsten in 2011 zeer aanzienlijk (als ik het goed uitgerekend heb, met meer dan tien procent) zijn gestegen was natuurlijk fantastisch nieuws.

Vandaag ontmoeten we een echtpaar dat uit Finland afkomstig is; beiden werken nu voor de Finse vertegenwoordiging bij de EU. Ik leerde hen kennen toen ze in Finland voor de Adventkerk werkten en ontmoette hen later weer een aantal keren toen ze als ‘zendelingen’ naar Pakistan waren uitgezonden. We gaan vandaag met ze lunchen en we krijgen daaraan voorafgaand een korte tour door het Europese Parlement. Verder houden we het vandaag wat rustig en zullen we wat toeristische dingen doen. Morgen is het dan weer een volle dag, met o.a. een bijeenkomst van de predikanten. Daarna reizen we weer richting Zeewolde. Maar a.s. zaterdag ben ik weer terug om te preken in een Roemeens sprekende gemeente even buiten Brussel en dan ben ik hier opnieuw gedurende een dag of vier, o.a. voor een bijeenkomst, op zondag, van alle ouderlingen. Daarna is het programma weer wat kalmer, maar al met al houdt het werken in het Zuiden me wel van de straat.

Zo af en toe vraag ik me wel eens af of ‘een man op mijn leeftijd’ nog wel met een dergelijk karwei bezig zou moeten zijn. Maar dan zie ik een Amerikaanse presidentskandidaat van 76 jaar of een paus van boven de tachtig en dan denk ik dat ik misschien nog wel even meekan (ook al zou ik er misschien beter aan doen me maar niet met de paus te vergelijken). De vorige voorzitter van de Generale Conferentie, dr. Jan Paulsen, is nu 76 jaar oud. Hij is nog zeer actief. Hij schreef me onlangs (en daarbij bedoelde hij zichzelf): Ik wist niet dat een gepensioneerde het nog zo druk kan hebben. ‘Join the club,’ dacht ik

Barbarotti, etc.

De eerste week van het nieuwe jaar ligt weer achter ons. Na een paar dagen flink ziek te zijn geweest en een weekje in Zweden, gevolgd door een aantal dagen van lekker uitrusten en nietsdoen, had ik er de afgelopen week weer zin in om actief te worden, met onder andere twee dagen Brussel. Ondertussen trok er een flinke storm over de lage landen en als gevolg daarvan weet ik nu, net als miljoenen andere Nederlanders van het bestaan van plaatsen als Tolbert, Woltersum en Wittewierum, waar het water over de dijken dreigde te komen. Gelukkig liep het goed af. Ik hoop dat sneeuw en ijs nog wat wegblijven. Niet alleen de fraaie bos tulpen in onze woonkamer, maar ook het perk bloeiende narcissen dat ik gisteren in Harderwijk zag, geven al een beetje een voorjaarsgevoel dat ik graag even zou willen vasthouden!

Het fijne van een paar rustige weken is natuurlijk het feit dat je weer eens een paar boeken onderhanden kunt nemen. Ik ben bezig in een even merkwaardig als interessant boek dat mijn zoon mij met de kerst cadeau heeft gegeven. Het boek werd geschreven door ene Nassim Nicholas Taleb en heet: The Black Swan. De schrijver begint met de lezers eraan te herinneren dat eeuwenlang mensen dachten dat een zwaan een grote witte vogel was. Maar dat beeld moest plotseling worden bijgesteld, toen bleek dat er een zwarte zwaan was gesignaleerd. Hij gebruikt dan verder de metafoor van ‘de zwarte zwaan’ voor nieuwe, onverwachte dingen die de wereld vaak verrassen en dan de gang van zaken helemaal op zijn kop zetten. Onze geschiedenis, zowel voor ons als individu als voor onze maatschappij, volgt dikwijls niet het voorspelde patroon, maar wordt van tijd tot tijd overhoop gehaald door ‘een zwarte zwaan’. Het is een boek dat je niet in een of twee dagen uitleest, maar het is volop de moeite waard. En al lezend, bedacht ik dat mijn huidige taak in Belgie/Luxemburg wellicht gezien kan worden als zo’n onvoorspelbare ‘zwarte zwaan’.

Maar er was natuurlijk ook wel wat lectuur die wat minder intellectuele inspanning vroeg. In Zweden kocht ik de nieuwste politieroman van de inmiddels ook buiten Zweden bekende auteur Håkan Nesser. Het is zijn vierde boek waarin inspecteur Gunnar Barbarotti (een Zweed met een Italiaanse vader) een lastige misdaad moet oplossen. In de meeste misdaadromans hebben dit soort politiemensen een beroerd huwelijk en/of zijn zij nogal onheus in hun omgang met collega’s, maar deze Barbarotti zit heel anders in elkaar. Hij heeft een harmonieus gezin en is alom geliefd. Wat ook heel bijzonder is, is dat hij gelovig is. Hij praat over religie, over zijn eigen geloof in God en bespreekt zijn problemen met Var Herre (Onze lieve Heer). Het is toch wel heel verfrissend als je ook eens een keer een inspecteur tegenkomt die openlijk praat over zijn geloof!

In de afgelopen week werd ik nog twee keer bij dat fenomeen bepaald: mensen die verrassend open zijn over hun geloof. Op zondagmorgen 1 januari keek ik eventjes naar Nederland Zingt, het vaste zondagmorgenprogramma van de Evangelische Omroep. Daarin werd de befaamde pianist Daniel Wayenberg (geb. 1929) geïnterviewd. Hij is misschien wel de grootste Nederlandse pianist. Ik wist niet dat hij een christen was, en nog wel van evangelische snit. In het vraaggesprek, waarin de EO-dominee overigens ook de nodig nogal stupide vragen stelde, vertelde Wayenberg zonder enige terughoudendheid over zijn geloof en over wat geloof in God voor zijn dagelijks leven betekent. Het was zo echt en indringend, dat het bij mij een diepe indruk naliet.

Ja, en dan was er het nieuwe nummer van Spectrum, de onafhankelijke en ietwat kritische adventistische publicatie, die elk kwartaal nogal eens zaken aan de orde stelt die in de reguliere adventistische pers niet aan bod komen. Die aspecten waren er ook in het nieuwste nummer. Maar er was ook een artikel van Herbert Blomstedt—of eigenlijk was het de tekst van een preek die hij onlangs hield in een adventkerk in Californië.

Herbert Blomstedt (geb. 1926) is een Zweedse zevende-dags adventist die een wereldberoemde dirigent is geworden. Hij heeft een reeks vooraanstaande orkesten geleid en komt ook met regelmaat naar Amsterdam om het Concertgebouworkest te leiden. Op dit moment is hij nog verbonden aan de San Francisco Symfonie. Blomstedt weigert op vrijdagavond of zaterdag te repeteren, want die dag is zijn sabbat. Ik heb hem enkele keren ontmoet en hem vrij uitgebreid gesproken toen onze wegen eens kruisten in Boedapest.

Blomstedt is, bij al zijn succes, een eenvoudige gelovige. In zijn preek op 2 april van dit jaar vertelt hij over zijn geloof. Hij noemde zijn toespraak: Credo—Ik geloof. Daarin pleit hij voor een persoonlijk, levend geloof, voor een manier van leven waarin de aanwezigheid van Christus zichtbaar wordt, in plaats van een krampachtig doctrinair getwist over theologische details. Christianity, zegt hij, is nonsense if not lived in action.

Als ik een wens heb voor mezelf en voor anderen voor 2012, dan is het misschien toch wel dat figuren als de fictieve Barbarotti, zowel als mensen van vlees en bloed als Wayenberg en Blomstedt, een bron van inspiratie mogen zijn in dit nieuwe jaar.

Psalmen

Op 30 december was er nog even de gelegenheid om een bezoekje te brengen aan Riemer en Walinga, een prima boekhandel in Ermelo waar ik graag kom. Het is een goed ritueel om aan het einde van het jaar nog even een boek te gaan kopen. Ik had nog een boekenbon die me in de zak brandde. Ik heb me beheerst en kwam thuis met slechts twee nieuwe boeken. Inmiddels heb ik het boek van Gerrit van der Zwaan gelezen. Het heet: De eenvoudigen: Geloofsgetuigen op de Noordwest Veluwe en geeft een heel interessant inkijkje in het soort protestantse orthodoxie dat het leven en dit stukje Nederland tot op de dag van heden een heel eigen cachet geeft. Het was vooral boeiend te lezen over de ‘Nijkerkse Beroerten’, een enorme kerkelijke opwekking die in Nijkerk (minder dan twintig kilometer van Zeewolde) in de jaren 1749-1752 plaatsvond.

Het tweede boek is van een geheel ander kaliber. Het is de nieuwe versie van de Psalmen door Huub Oosterhuis: 150 Psalmen Vrij. Het is een boek dat mij geweldig inspireert. Nu moet ik meteen toegeven: Ik houd van de psalmen. Zelfs het zingen van de psalmen in de oude berijming van Dathenus op de traditionele manier, met hele en halve noten, kan mij op zijn tijd bekoren. Het zingen van psalmen is een stuk Nederlandse kerkzangtraditie dat we niet kwijt moeten raken! Geef mij maar de psalmen in plaats van veel van die nieuwe liedjes met suikerzoete teksten over Jezus en het steeds maar op mantra-achtige wijze herhalen van een paar korte regeltjes, à la: God is zo goed! God is zo goed! God is zo goed! God is zo goed! Etc.

Helaas zijn er binnen het Nederlands protestantisme herhaaldelijk diepgaande conflicten uitgebroken over het zingen van de Psalmen. Welke berijming moest men gebruiken? Hoe moest er gezonden worden? Mochten er naast de Psalmen ook andere ‘Gezangen’ worden gezongen? Een schitterend, weliswaar geromantiseerd, verhaal, dat echter wel op feiten berust, is het boek van Maarten ’t Hart, Het Psalmenoproer. Het is gebaseerd op het grootschalige verzet tegen de invoering van een nieuwe psalmberijming rond 1775, in Vlaardingen en Maassluis.

In de Nederlandse Adventkerk is het zingen van psalmen nooit populair geworden. Er is nog wel een poging gedaan aan het begin van de jaren 1980 om de psalmen een prominentere plaats te geven, toen het Liedboek voor de Adventkerk de sterk verouderde bundel Gezangen Zions verving. Ik was daar nauw bij betrokken en was een van de voorstanders van het integraal opnemen van de 150 psalmen in ons nieuwe liedboek. Wij kozen voor de berijming van een zekere dominee Hendrik Haspers, die stamde uit de jaren dertig. Het was een goede berijming, die bovendien vrij van rechten kon worden gebruikt. Helaas wordt er echter nog zelden in een adventistische kerkdienst een psalm opgegeven voor de gemeentezang!

De vertaling van Huub Oosterhuis is van een geheel ander karakter dan die van Haspers. Zijn bewerking is niet om te zingen, maar om te lezen en in je op te nemen, erover te mediteren. Laat ik twee voorbeelden geven, uit de eerste en uit de laatste psalm:

Vertaling Haspers, Psalm 1, eerste couplet:

Heil hem, die nimmer treedt in ’s boozen raad,
niet staan blijft, waar het pad der zondaars gaat,
noch nederzit, waar spotters samenscholen;
maar blijde gaat den weg, door God bevolen,
zijn heil’ge wet bepeinst bij dag en nacht,
haar mint, doorzoekt, in al zijn doen betracht

En dit is de versie van Oosterhuis van diezelfde psalm:

Goed is
dat je niet doet wat slecht is
niet achter oplichters aanloopt
niet met Ploert en Schender heult
niet je schouders ophaalt:
‘ploert en schender, ach
zo is de wereld.’

En dan berijming van ds. Hendrik Haspers van Psalm 150, eerste couplet:

Looft God, looft zijn naam alom!
Looft Hem in zijn heiligdom!
Looft Hem om zijn majesteit!
Looft Hem om zijn mogendheid!
Looft Hem om zijn grote daden!
Looft hem, die het al volbracht!
Looft Hem om zijn sterke macht!
Looft hem, heem’len, halleluja!

En de bewoording van Oosterhuis:

Eeuwige hier nu
die ons adem geeft
gezegend Gij.

Om het leven dat doorgaat
om dagen van morgen
God ondenkbaar
boven alle machten van de wereld
Gij god alleen.

Dank je wel, Huub Oosterhuis. Je hebt mij persoonlijk een grote dienst bewezen.

Dagmar

Tegenwoordig hebben zware stormen een naam. De storm die op eerste kerstdag over Midden-Zweden en een stuk van Noorwegen raasde was niet zomaar een winterstorm, met windkracht negen of tien. Het was Dagmar, die twee dagen lang het verkeer in een deel van Scandinavië nagenoeg tot stilstand bracht en ervoor zorgde dat honderden reizigers twee nachten in stilstaande treinen moesten doorbrengen. Het was Dagmar die ons ook ten huize van onze zoon en zijn gezin veilig binnenshuis hield. Het was, zei men, een van de zwaarste stormen die men in het Noorden in de laatste paar decennia had beleefd.

Wie was Dagmar? Ik heb het even opgezocht, want daar was ik wel nieuwsgierig naar. Was het de een of andere god of godin uit de Scandinavische mythologie? Dagmar blijkt in de twaalfde eeuw te hebben geleefd. Zij was de dochter van Ottokar I van Bohemen en Adelheid van Meissen. Zij trouwde met een Deense koning en leidde een dermate godvruchtig leven dat zij later heilig zou worden verklaard. 24 mei is de dag die in Noorwegen en Zweden gewijd is aan Dagmar.

Mijn spontane gedachte dat de naam Dagmar een religieuze connotatie heeft was eigenlijk niet zo vreemd. Natuurkrachten werden door de eeuwen heen vaak vereerd als goden. De Germaanse Donar, naar wie onze donderdag is genoemd, is daarvan een treffend voorbeeld. En nog immer zijn er ook in onze westerse maatschappij heel wat mensen die goddelijke krachten toeschrijven aan de natuur. In de bijbelse wereld was er eveneens een heel nauwe band tussen de krachten van de natuur en de majesteit van Israëls God. Het verschil met de volkeren rondom Israël was dat voor de volgers van JHWH de natuur niet samenviel met God, maar het product was van Gods scheppende kracht.

Wat mij opvalt als ik lees wat de Bijbel ons over de natuur en de ontstaan ervan vertelt is dat er geen enkele poging wordt gedaan om zelfs maar een begin van een verklaring te geven van de natuurwetten of van het ontstaan van de dingen. Het gaat er kennelijk niet om dat we begrijpen hoe de dingen precies in elkaar steken. Natuurlijk, de wetenschappelijke kennis die ons nu ter beschikking staat, geeft ons een goed idee van veel natuurlijke processen en het spreekt vanzelf dat de wetenschappers graag steeds meer willen weten over het ontstaan van onze aarde en van het leven erop. Maar de Bijbel spoort ons vooral aan om ons over de grootsheid van de natuur te verwonderen en God te prijzen als Degene die groter is dan alles wat hij schiep en machtiger is dan alle processen die hij mogelijk maakte.

Met name de laatste hoofdstukken van het boek Job spreken mij in dat opzicht bijzonder aan. Vooral hoofdstuk 38 maakt duidelijk dat mensen met hun beperkte inzichten en vermogens geen sluitende voorstelling kunnen hebben van Gods majesteit in de schepping. Lees het nog maar eens na.

Bij elke moderne discussie over de juiste interpretatie van het Genesisverhaal zal dat steeds uitgangspunt moeten zijn: Het is een vorm van misplaatste hoogmoed God te willen narekenen en precies te willen weten hoe en wanneer Hij alles schiep. We lezen dat God ‘in het begin’ alles maakte. Verder wordt ons weinig verteld. Hij schiep in ‘zes dagen’ en aan het ‘einde’ van het scheppingswonder, gaf Hij de mens als extra gift de sabbat. Het verhaal wijst ons onze plaats. Wij zijn geschapen wezens, die in een afhankelijke relatie staan tot Degene die ons schiep. Wij werden met verstand begiftigd en mogen over de dingen nadenken en die navorsen. Maar is het voor ons geloof in God als Schepper zo nodig dat we proberen na te gaan wanneer dat ‘in den beginne’ precies was? En moeten we ons er voortdurend zorgen over maken of het scheppingsverhaal tot in alle details letterlijk moet worden verstaan? En moeten we erop toezien dat er geen misverstand kan bestaan over het feit dat de scheppingsdagen letterlijke, aaneengesloten dagen van 24 uur waren? [En moet ik, als ik in het boek Job lees over de ‘voorraadkamers’ van de sneeuw en van de hagel, dat ook letterlijk nemen?]

Een tijdje geleden heb ik de Psalmen nog eens gelezen. Daarin wordt heel veel gezegd over Gods schepping. Nooit is de focus echter op het hoe van de schepping. Het gaat altijd om het dat. God is de Schepper en daarom moeten wij hem eren. Wij hoeven niet te begrijpen wat Hij deed, maar wij worden opgeroepen om ons eerbiedig te blijven verwonderen en Hem als Schepper te aanbidden: Prijs de Heer, mijn ziel. Heer, mijn God, hoe groot bent u! (Ps. 10-4:1).

Toen Dagmar met furieus geweld haar kracht liet zien, was mijn eerste gedachte niet: Hoe zit het precies met de luchtdrukverschillen die dit natuurgeweld hebben veroorzaakt? Er was eerder sprake van ontzag en verwondering. Ik had eerder een religieuze reactie dan dat onmiddellijk de vraag opborrelde naar het ‘hoe’ van wat er in de natuur gebeurde. Ik zou graag willen dat adventisten ook vooral met een religieuze interesse naar het scheppingsverhaal zouden kijken, in plaats van vooral met een rationeel verlangen om te willen begrijpen hoe God werkt. Ik geloof dat dit te maken heeft met het hart van de boodschap die adventisten vanuit Openbaring 14 willen verkondigen. Want let op, daar staat niet: Probeer te begrijpen hoe God de aarde en de hemel heeft geschapen! Maar er staat: ‘Aanbidt Hem die de hemel en de aarde geschapen heeft.’