Skip to content

Dakloos

 

Ik had er behoorlijk de pest in. Het was dinsdagavond De trein arriveerde rond half negen ’s avonds in Lyon. Het kantoor van de kerk in Frankrijk had een kamer voor me gereserveerd in een hotel vlak naast het station. De vergadering zou de volgende dag nauwelijks vijf minuten daarvandaan om tien uur beginnen. Het leek een prima regeling. Ware het niet dat …

Het hotel had de kamer tot zes uur gereserveerd, maar daarna vrijgegeven. En nu was alles vol. Ook de hotels in de directe omgeving waren tjokvol. Het leek er even op dat ik dakloos zou zijn en in de stationshal van de Gare Lyon Part Dieu zou moeten slapen.

 

Misschien zou het een goede ervaring zijn geweest. Ik had diezelfde morgen in de krant gelezen hoeveel uitgeprocedeerde asielzoekers in Brussel ’s nachts in parken en lege gebouwen moeten slapen. Er zijn onvoldoende opvangplaatsen en de autoriteiten erkennen dat zich een menselijk drama dreigt te gaan voltrekken als de temperatuur ’s nacht verder gaat dalen. Het was al enkele nachten dicht bij de nulgrens.

 

Er was wel een cruciaal verschil tussen de omstandigheden van deze daklozen en mijn netelige situatie. Want ik had allerlei soorten plastic op zak. En ik sprak de taal van de mensen om me heen en kon een taxi nemen en een hotel zoeken verder van het centrum. Het werd al met al een stuk duurder dan waarop ik had gerekend, maar het was geen drama en met een uurtje vertraging zat ik in een aangename kamer en kon ik mijn laptop op het internet aansluiten en even met thuis skypen.

 

De gedachte aan de dakloze asielzoekers die, zonder creditkaarten en zonder de mogelijkheid om wat cash uit de muur te trekken om een taxi te betalen, maar ergens wat warmte moeten zien te vinden, kwam echter steeds weer bij me boven. Hoe is het mogelijk dat in een land dat zich christelijk en beschaafd noemt een grote groep mensen geen onderdak kan vinden? Is er in al de kerkgebouwen in Brussel geen ruimte voor die mensen?  Tja, en is er—als het erop aankomt—geen ruimte voor een aantal daklozen in het gebouw waar ik tegenwoordig een kantoor heb?

 

Ik weet dat er heel veel praktische bezwaren zijn tegen het openstellen van je gebouw voor dak- en thuislozen. Misschien mag het wel niet eens, als je voor dat gebouw niet de juiste vergunningen hebt! (Ik ben er intussen wel achter dat er in België minstens zoveel regels en verordeningen zijn als in Nederland.) En het is moeilijk te voorspellen welke problemen je je op de hals haalt. Niet doen dus. . . Maar toch zit het me niet echt lekker en blijft het verhaal van de barmhartige Samaritaan en blijven de indringende woorden van Jezus in Matteüs 25 over hoe je je medemensen moet behandelen, nagalmen.

 

Is dan het enige wat we kunnen doen een incidenteel gebaar van grootmoedigheid laten zien. Een paar dagen geleden liep ik een bedelende vrouw voorbij die voor een kerk in Brussel zat. Ik was haar al een meter of tien gepasseerd toen ik me in een impuls omdraaide, terugliep en twee euro in haar bekertje deponeerde. Ik voelde met plotseling schuldig. Daar liep ik—ik had net ergens lekker gegeten. En daar zat die vrouw met een bordje voor zich waarop stond dat zij honger had. Zou ik zoiets vaker moeten doen? Of had ik meer moeten doen? Misschien wel, maar ik denk niet dat zo’n gebaar mijn nare gevoel dat we als christelijke gemeenschap tekortschieten, kan wegnemen.

 

Inmiddels (op donderdagmorgen) raast de TGV weer door het Franse landschap richting Brussel, en vandaar, na een overstap, richting Schiphol. Daar heb ik mijn auto geparkeerd en vandaar hoop ik nog voor de avondspits in Zeewolde te arriveren. Niet gek, nauwelijks zeven uur voor een afstand van ruim duizend kilometer. In de trein zitten, naar ik aanneem, geen uitgeprocedeerde asielzoekers en bedelende vrouwtjes. Ik kan me concentreren op Le Figaro en op het bekertje koffie dat ik zojuist van de bar in het volgende rijtuig heb gehaald. Maar, bedenk ik, ze zijn er nog steeds, die mensen zonder plastic kaartjes die niet weten waar ze de komende nacht zullen bivakkeren. . .

 

Tijd winnen of verliezen?

 

Amerika vierde enkele dagen geleden het jaarlijkse Thanksgivings. Wie nooit in Amerika heeft gewoond heeft geen idee hoe belangrijk die dag in de VS is. Maar het is allesbehalve een feestdag voor de kalkoenen. Zo’n 45 miljoen exemplaren moeten hun leven geven om de tafels van de Amerikanen een feestelijk aanzien te geven.  Zelfs de Adventist Review, het min of meer officiële tijdschrift van de wereldwijde Adventkerk, laat Thanksgivings niet ongemerkt voorbijgaan. In een redactioneel commentaar geeft hoofdredacteur Bill Knott een lijst van dingen waarvoor hij bij deze (van oorsprong religieuze) feestdag dankbaar is.

Een van de redenen waarom hij dankbaar is, is het feit dat er tegenwoordig zowel gadgets en programma’s zijn waarmee je gemakkelijk kunt communiceren met familie en vrienden, zoals iPads, iPhones, Skype, BlackBerries, en Droids.

 

Onlangs overleed de Nederlandse historicus A. Th. van Deurssen. Ik heb een aantal van zijn boeken met veel plezier gelezen. Wellicht heb ik nog het meest genoten van zijn boek Een Dorp in de Polder, waarin hij het leven in het Noord-Hollandse dorp Graft beschrijft in de ‘gouden eeuw’. (Ik groeide op op minder dan tien kilometer van dit dorp.)Ter gelegenheid van zijn overlijden verscheen in de Volkskrant (als ik me niet vergis) een in memoriam.  Daarin werd o.a. van van Deurssen gezegd dat hij geen enkele reden zag om met zijn tijd mee te gaan! Waarom, zei hij, zou een mens niet gewoon tevreden mogen zijn met hoe het vroeger was?

 

Knott wil heel graag met zijn tijd meegaan, maar van Deurssen vond dat helemaal niet nodig! Ik ontdekte een zelfde soort tegenstelling in een tweetal recente kranteninterviews. Ik las een paar weken geleden een boeiend vraaggesprek met de beroemde Italiaanse auteur Umberto Eco. Hij zei dat het steeds zijn doel was geweest om minder tijd te ‘verliezen’; hij probeerde wat hij deed ten minste met een derde van de tijd te bekorten. Dat hij niet onder de douche las, zei hij, was uitsluitend te wijten aan het feit dat er geen boeken zijn met plastic papier!

 

Vanavond viel mijn oog op een interview in de Standaard (de Belgische krant die ik tegenwoordig nog al eens koop). Daarin kwam Arnout Hauben aan het woord, een cineast van wie ik nooit eerder had gehoord. Hij legt uit dat hij helemaal geen bezwaar heeft tegen tijdverlies. Integendeel, zegt hij: ‘We verliezen veel te weinig tijd. De gelukkigste momenten in mijn leven waren vaak momenten van totale ledigheid.’

 

Eigenlijk zie ik wel wat in al deze verschillende standpunten, ook al lijken ze elkaar in feite uit te sluiten. Maar waarom zou je steeds consequent moeten zijn en altijd op dezelfde manier moeten reageren? Waarom zou je niet genieten van de mogelijkheden van de hedendaagse techniek? Ik heb net vanuit mijn Brusselse hotelkamer per Skype met mijn vrouw in Zeewolde de dag doorgenomen. Mooi toch dat dit mogelijk is (en dan nog wel gratis).  Maar betekent dit ook dat ik me in alle nieuw trends moet verdiepen? Heb ik werkelijk 500 vrienden nodig op Facebook en moet ik me beslist dagelijks met YouTube bezighouden en is LinkedIn beslist een ‘must’?

 

Is het voorbeeld van Umberto Eco navolging waard? Tot op zekere hoogte wel, lijkt me. Ik zou veel tijd kunnen winnen als ik mijn best zou doen bepaalde vaardigheden eindelijk onder de knie te krijgen. Want waarom typ ik na tientallen jaren toetsenborden te hebben gemolesteerd nog steeds met twee vingers? Maar heeft Arnout Hauben ook niet een belangrijk punt? Mag je niet gewoon af en toe relaxen en je er niet om bekommeren dat je even niets nuttigs doet? Ik moet die kunst misschien wat beter leren beheersen! Maar vandaag heb ik het er in dat opzicht niet zo slecht vanaf gebracht. Na gepreekt te hebben in Gent en van een heel plezierige lunch bij vrienden in Gent te hebben genoten, ben ik zonder een spoor van haast naar Brussel gereden. En na een heerlijk verfrissend dutje, ben ik te voet richting ‘Grand Place’ getrokken om wat te gaan eten, daarbij genietend van de sfeervolle kerstverlichting in de bomen en aan de gevels. En, terug op mijn kamer, heb ik een uurtje gelezen en vervolgens zowel het Nederlandse als het Vlaamse tv-journaal bekeken en deze blog geschreven. Misschien leer ik het dus toch nog wel: de balans vinden tussen tijd winnen en tijd verliezen!

 

Oliebollenkraam

 

Ik probeer me zo af en toe voor te stellen hoe het leven er in de Middeleeuwen uitzag. Het is moeilijk je te verplaatsen in de tijd van Breughel en zijn tijdgenoten, maar het was in ieder geval een manier van leven die veel meer synchroon liep met de seizoenen. De kerkelijke kalender en de schier eindeloze reeks heiligen-dagen brachten een duidelijke structuur in het bestaan. En de belangrijke markten op hun vastgestelde tijden versterkten dat nog meer.

 

In feite was het nog niet zo erg veel anders in het dorpsbestaan van mijn kinderjaren. Je leven volgde de seizoenen met zijn schoolvakanties. En je leefde toe naar het moment dat je in de ‘grote vakantie’ bij oma en opa kon gaan logeren en er in de winter weer genoeg ijs op de sloten lag om je houten schaatsen van zolder te gaan halen. Maar er waren ook een paar specifieke momenten in het jaar die het jaar duidelijk markeerden. De jaarlijkse kermis was zo’n moment. Drie dagen werd er niet of nauwelijks gewerkt, want er moest worden gefeest!  De alcoholconsumptie was trouwens vaak van dien aard dat ‘gewoon’ werken voor een groot deel van de bevolking overdag nogal bemoeilijkt werd. Ook al was de kermis natuurlijk een ‘heidense’ aangelegenheid, en ook al was mijn moeder tamelijk conservatief in haar adventistische opvattingen, toch vond zij het prima dat haar kinderen naar de kermis gingen! Van de zweefmolen heb ik nooit genoten, want dat vond ik maar eng. Maar de schiettenten en de kraampjes waar je kon hengelen naar waardeloze cadeautjes vormden sterke magneten waardoor ik op onweerstaanbare wijze werd aangezogen.

 

Ik vind het nog steeds fijn als bepaalde evenementen of tradities de voortgang van het jaar duidelijk markeren. Helaas is dat in onze huidige westerse wereld steeds minder het geval. De seizoenen lopen in elkaar over. Als we in de winter genoeg hebben van het koude weer gaan we even ‘een weekje naar de zon.’ We eten het gehele jaar door dezelfde groenten en vruchten, want we beperken ons allang niet meer tot datgene wat alleen op bepaalde tijden van het jaar vanuit ons eigen land kan worden aangevoerd. Onze snijbloemen komen, vaak zonder dat we ons daarvan bewust zijn, uit Kenia en onze sperzieboontjes uit Burkina Faso. Begrippen als ‘voorjaarsgroenten’ en ‘wintergroenten’ hebben voor een groot deel hun betekenis verloren.  En ja, er zijn nog steeds kermissen op gezette tijdens. Maar we behoeven daar niet meer intens naar uit te zien, want als we ons perse willen vermaken is er altijd wel een pretpark binnen redelijke afstand waar we aan ons amusement kunnen gaan halen.

 

Ik heb het altijd betreurd dat er binnen de kerkelijke traditie waartoe ik behoor betrekkelijk weinig aandacht is voor de kerkelijke kalender. Het feit dat de ‘grote’ kerken daar zoveel waarde aan hechtten was op zich al voldoende reden voor adventisten om daar ‘nee’ tegen te zeggen. Kerst, Pasen en Pinksteren waren immers door mensen ingestelde tradities waarvoor geen bijbelse instructies golden.

 

Ik ben blij dat daar wel wat verandering in begint te komen, en dat met name de grote christelijke feesten niet langer ongemerkt voorbijgaan. De kerstfeesten van de zondagschool in de plaatselijke hervormde kerk en het kerstfeest van de christelijke school, dat in de plaatselijke gereformeerde kerk werd gevierd, zorgden er destijds in onze kindertijd voor dat we toch een beetje kerstsfeer konden opsnuiven. Want in de Adventkerk werd toentertijd met geen woord van het Kerstfeest gerept—laat staan dat er kerstversiering was. Dat is, gelukkig, veranderd. (Mijn vrouw is dit jaar lid van een werkgroep die het kerstfeest in de Adventkerk van Harderwijk voorbereidt!).

 

Maar ook in het wat uit de kluiten gewassen dorp waar we nu wonen (Zeewolde), zijn er in de paar decennia sinds de plaats op de drooggevallen IJsselmeerbodem is verrezen, enkele leuke tradities gegroeid, die het jaar markeren. Zo is er de jaarlijkse komst van de oliebollenkraam op het Flevoplein. Plotseling stond hij er weer! Het zou overdreven zijn om te zeggen dat het me emotioneel beroerde om de kraam weer te zien, maar toch was er zoiets van: O, ja, het is weer zo ver. Dit hoort bij deze tijd van het jaar! En even plotseling bleek er weer feestverlichting in de winkelstraten te zijn. Het deed me intens plezier.

 

 

Hazelhof en van der Ploeg

 

(Maandag) Gisteren heb ik voor de eerste keer het bestuur van de Belgisch-Luxemburgse Federatie ‘voorgezeten’. Ongeveer de helft van de dertien bestuursleden had ik inmiddels wel enigszins leren kennen, maar ik had ook enkele geheel onbekende gezichten voor me. De secretaris van de Frans-Belgische Unie was paraat als toegevoegde opziener (adviseur noemt men zo iemand officieel). Het was even wennen. Maar het is gelukt een aantal processen op gang te brengen en in elk geval een voorlopige begroting voor 2012 op te stellen en een paar eerste voorzichtige stapjes te zetten op weg naar een strategie voor de komende jaren.

 

Onwillekeurig vraag je jezelf na afloop af: Hoe is het gegaan? Zal men kunnen wennen aan mijn manier van vergaderen en mijn ingeroeste gewoonte om met wat humor zo af en toe wat lucht in de discussie te brengen? Hoe kijken de bestuursleden tegen mij aan? Heeft men het gevoel dat het samen met die Nederlandse allochtoon wel zal gaan lukken? Zo’n vraag mag je natuurlijk niet constant bezighouden. Het is gewoonlijk een blijk van trieste onzekerheid als je continu gekweld wordt door de vraag hoe je bij anderen ‘overkomt’. Maar het is aan de andere kant een teken van ergerlijke arrogantie als het je helemaal niet kan schelen hoe anderen over je denken. Toch weten we allemaal hoe moeilijk het is om er achter te komen hoe anderen je beoordelen. Je kunt niet afgaan op een paar mensen die bij voorbaat alles (al dan niet oprecht gemeend) wat je zegt en doet, toejuichen. En evenmin op de mening van een enkeling voor wie je wellicht nooit ook maar iets enigszins goed kunt doen. Het gaat vooral om de meerderheid van wie je nauwelijks hoogte krijgt omdat ze niet duidelijk van hun instemming of afkeuring blijk geven.

 

Maar dat wil niet zeggen dat wat je zegt en doet die meerderheid niet raakt en dat het geen indruk achterlaat.  Zaterdagmiddag was, ik, voordat ik naar Brussel vertrok, een uurtje op de tentoonstelling van de Zeewolder Kunstkring, waarvan mijn echtgenote een actief lid is. Een dertigtal leden had elk een kunstwerk ingeleverd over het thema ‘schepping’. De tweedaagse expositie vond plaats in de ’Verbeelding’, een schitterend gelegen gebouw aan de rand van ons dorp dat buitengewoon geschikt is voor dit soort culturele zaken.

 

Terwijl ik een schilderij bewonderde hoorde ik iemand tegen een andere bezoeker en opmerking maken waarin de woorden ‘Aafje’ en ‘dominee’ voorkwamen. Even later kwam een echtpaar op me af en stelde vast dat ik inderdaad de dominee was die met Aafje is getrouwd en van wie ze zo veel hadden gehoord. (Er wordt tijdens de bijeenkomsten van de kunstkring kennelijk heel wat afgepraat.)  Na een paar opmerkingen heen en weer, vroeg de vrouw mij of ik de naam Hazelhof wel eens had gehoord. Het ging om mensen  die ooit in Haarlem woonden en met wie ze veel contact hadden gehad. Het waren zevende-dags adventisten, wisten ze. Heel aardige en behulpzame mensen! Ik kende of ken geen Hazelhof-familie in Haarlem. Maar het doet je natuurlijk goed om zoiets over geloofsgenoten te horen.

 

Fijn dat ze het mij vertelden, maar of ze het ook tegen de Hazelhof-familie hebben gezegd? Ik betwijfel het. Maar het is top om vast te stellen dat dit Haarlemse adventistengezin een positieve indruk had achtergelaten!

 

Het gesprek ging verder. Had ik misschien ook wel eens van Ds. van der Ploeg gehoord. Die was toen dominee van de adventistenkerk. Hij woonde met zijn vrouw en twee meisjes later naast hen in de Noorwegenstraat. Ze hadden zelfs een paar keer een bijbelstudie met ds. van der Ploeg gehad. Ja, van die dominee had ik wel gehoord. Ik ken hem zelfs heel goed. Nou, die dominee, dat was ook een fijne man! zeiden ze. Toen ze dat zo vertelden, vroeg ik me af of ze dat destijds ooit op die manier aan buurman-dominee van der Ploeg hadden gezegd. Ik vermoed van niet! Maar toch was het leuk dat ze zich dat nu nog steeds herinnerden..

 

Dit gesprekje van afgelopen zaterdagmiddag kwam bij me boven toen ik nadacht over hoe de bestuursleden van de Belgisch-Luxemburgse Federatie gisteren hun eerste vergadering onder mijn leiding hebben ervaren. Ik besef dat ik meer dan tevreden zal moeten zijn, als ze ooit tegen anderen zullen zeggen dat het best plezierig was om samen te werken met ‘die Nederlandse voorzitter die we toen een tijdje hadden!’ Ondertussen is het niet zo’n ramp om een beetje in het onzekere te blijven over hoe je bij de mensen om je heen ‘overkomt’. Het houdt je in elk geval scherp!

 

Na de vergadering ben ik spoorslags (letterlijk, want met de snelle trein) afgereisd naar Parijs voor de unievergaderingen die daar nu plaatsvinden.  Ik was ’s avonds nog vroeg genoeg op de plaats van bestemming om nog even op de Boulevard des Gobelins in een gezellige café/ bistro een capucino te gaan drinken en daarbij een hoofdstuk uit een fascinerend boek te lezen dat mijn dochter mij in september als verjaarscadeau gaf. Dat ik daar weer als vanouds plezier aan beleefde geeft aan dat de paracetamol (zie vorige blog) toch al snel zijn bijdrage aan een redelijk herstel van mijn vitaliteit heeft geleverd!

 

Paracetamol

 

Het gebeurt niet vaak dat ik een achterstand heb bij het schrijven van mijn blogs. Ik heb echter een tiental dagen achter de rug met een heel pittig programma. Na een aantal dagen in Schotland (27 okt.- 1 november) spoedde ik mij naar België (2-3 nov.).  Om daarna op zaterdag 5 november de overdenking te houden tijdens een doopdienst in Rotterdam-Noord.  Op 6 november reed ik in gezelschap van een Belgische collega naar het Bergheim in Muhlenrahmede (een adventistisch conferentieoord in de omgeving van Duisburg), want daar begon op zondagavond 6 november een bijeenkomst van Nederlandse adventistenpredikanten waarbij ook Belgische collega’s welkom waren. Daar wachtte ons een aantak overladen dagen. Ik reed terug via België, waar ik gisteren een reeks besprekingen had.  De terugreis was een lijdensweg van files. Vanmiddag even naar het kerkelijk kantoor in Huis ter Heide om de leiding van de seniorenreis 2012 (naar Israel) over te dragen aan ds. Hans Ponte. Morgen een dag om adem te halen, zaterdagavond weer naar Brussel, omdat we op zondag voor de eerste keer met het nieuwe landelijke kerkbestuur samenkomen. En dan zondagavond naar Parijs voor een driedaagse vergadering van de unie waartoe ook de kerk in België en Luxemburg behoort.

 

Dat zou allemaal geen echt probleem opleveren als ik me sinds gisteravond niet zo lamlendig voelde en me met paracetamol op de been moest houden. Gelukkig is het vandaag al weer wat beter dan gisteravond en vannacht. Toen leek het wel even of het een herhaling betrof van een malaria-aanval. Ik heb dat ooit ervaren toen ik in Afrika woonde en ik kan de lezer verzekeren dat je op het hoogtepunt van zo’n aanval nog maar weinig enthousiasme hebt om het leven voort te zetten. Een antieke Nederlandse benaming voor malaria is brekie-been. En, inderdaad, het lijk wel of er geen bot in je lijf meer functioneert omdat je, zo lijkt het, onder een truck verbrijzeld bent.  Maar, laat ik niet teveel medelijden met mezelf hebben: het gaat al weer een stukje beter. En ik hoop natuurlijk dat ik al mijn  afspraken de komende dagen kan nakomen en dan snel weer in orde ben. De weken die vervolgens komen zijn in elk geval een stuk relaxter!

 

Als ik met de auto naar België rijd, stop ik steevast bij een restaurant langs de weg naar Antwerpen, een kilometer of 8 over de grens. En dan koop ik een exemplaar van de Standaard, want ja, ik moet toch wel weten of de kabinetsformatie een beetje vlot. En het is een verbazingwekkend goede krant. Op de terugweg stop ik aan de grens, aan de Nederlandse kant. Toen ik daar gisteren even aanlegde, was ik niet in staat er echt van te genieten. En ik moet zeggen dat de kwaliteit van wat er tegenwoordig in LaPLace geboden wordt nogal tegenvalt. Toen we in Engeland woonden kwamen we regelmatig via de Tunnel (Dover-Calais) naar het vaderland en dan was een stop bij Smits (de toenmalige naam) vaste prik. Uit nostalgische overwegingen bestelde ik dan  altijd een chocomel en een gevulde koek. Voor mij was dat een gevoel van thuiskomen!

 

Ik heb niet het gevoel dat ik met deze blog een betekenisvolle  bijdrage heb geleverd aan de Nederlandse literatuur of aan de kerkelijk geschiedschrijving. Paracetamol is heel effectief, maar inspiratie bij het schrijven levert het niet op. Volgende keer beter.